een organisatie van

Vooruit.png
Vermeylenfonds.png
UPV ZW.png

met de steun van

LiteratuurVlaanderen_2x.png

Massimo Pigliucci

EEN MODERNE STOÏCIJN

Waarschijnlijk denkt u bij het woord stoïcijn aan Mr. Spock uit Star Trek. Of aan iemand die, met een verbeten en zurig trekje om de mond, zijn of haar emoties stevig onderdrukt. Iemand die alle passie uitbant en apathisch in het leven staat. Die vooroordelen zijn onterecht, zo laat Massimo Pigliucci zien in zijn recent verschenen boek Hoe word je een stoïcijn? Hierin maakt hij duidelijk dat het stoïcisme een krachtige, moderne en erg praktische levensfilosofie kan zijn, met een positief effect op uw mentaal welbevinden. Het is dan ook niet voor niets dat ze aan een wonderlijke comeback bezig is. Op de Nacht van de Vrijdenker zal Pigliucci het publiek uitgebreid laten kennismaken met de levensfilosofie van het stoïcisme. Wij kregen alvast een voorsmaakje in ons gesprek, waarin we ook vooruitlopen op het debat over waarheid en wetenschap waaraan Pigliucci, samen met Maarten Boudry en Coen Simon, later op de avond zal deelnemen.

Voor dat debat is de Italiaanse wetenschapsfilosoof trouwens uitstekend geplaatst om zijn zegje te doen. Hij is een man van filosofie én wetenschap. Hij begon zijn academische loopbaan immers als veelbelovend evolutiebioloog. Toen hij in 1997 aan de Universiteit van Tenessee terechtkwam, besloot hij om het geweer van schouder te veranderen en filosoof te worden. Na een doctoraat in de wetenschapsfilosofie (bovenop zijn doctoraatstitels in de biologie én in de genetica) kon hij aan de City University of New York aan de slag als hoogleraar filosofie. Voor we van wal steken over zijn boek vraag ik hem dan ook naar die professionele ommezwaai.

EUDAIMONIA

U hebt in eerdere interviews gezegd dat uw opmerkelijke carrièreswitch een gevolg was van een ‘constructieve midlife crisis’. Was er ook iets dat u miste in de wetenschap, en dat u in de filosofie wou vinden?

Als evolutiebioloog onderzocht ik met veel plezier de interacties tussen genen en hun omgeving, maar na twintig jaar bekroop me het gevoel dat ik steeds opnieuw hetzelfde deed. Dat verontrustte me. Ik was op dat moment vooraan in de veertig, en op zoek naar iets zinvollers. Ik herinnerde me uit mijn middelbareschooltijd in Italië dat ik erg van het vak filosofie hield, en het begon te dagen dat ik wetenschapsfilosoof zou kunnen worden. Dus schreef ik me in voor een doctoraatsprogramma in de filosofie en een paar jaar later kon ik de definitieve overstap maken. Niet dat ik mijn werk als evolutiebioloog zinloos vond, integendeel. Zin is trouwens iets wat we zelf construeren. Het ligt niet ergens daarbuiten, klaar om door ons gevonden te worden. Filosofie heeft me in dat opzicht wel geholpen om op een betere, diepere manier betekenis te geven aan de dingen waar ik mee bezig ben.

Als mensen geconfronteerd worden met een midlife crisis of een burnout, zie je dat er vaak fundamentele levensvragen naar boven komen. Het leuke aan klassieke, Grieks-Romeinse filosofen is dat ze over zo’n vragen nog steeds relevante dingen te zeggen hebben.

De studie van klassieke filosofie in het algemeen en het stoïcisme in het bijzonder – de Stoa was een filosofische school die in 350 v.o.t. in Athene werd gesticht — heeft me inderdaad veel geholpen met dat soort vragen. Antieke filosofie wordt vaak afgedaan als iets van 2000 jaar geleden, dat met geen mogelijkheid nog relevant kan zijn vandaag. Nu hebben we immers de moderne wetenschap, die ons een veel juistere kijk op het universum heeft gebracht. En dat is waar. Maar het is ook waar dat de menselijke natuur – onze verlangens en drijfveren, hoe we ons leven willen leiden – in al die tijd niet zoveel veranderd is. Daarom zien we ook een comeback van klassieke filosofie, en vooral van het stoïcisme: dat is een erg praktische filosofie. Op zich lijkt dat een oxymoron, maar niets is minder waar: in feite is dat hoe de filosofie begon. Mannen als Socrates, Plato of Epicurus zouden erg verrast zijn om te zien dat moderne filosofen alleen in universiteiten te vinden zijn en zich voornamelijk bezighouden met het schrijven van erg technische papers die door heel weinig mensen gelezen worden. Filosofie was voor hen iets om op straat te beoefenen. Op openbare plaatsen zoals markten voegden filosofen zich onder de mensen en stelden ze lastige vragen: ‘Wat ga je vandaag doen dat de moeite waard is? Hoe ga je je leven verbeteren?’

Of: ‘Wat is het geheim voor een gelukkig en zinvol leven?’ Uw boek laat zien dat de stoïcijnen op die prangende levensvraag een vrij concreet antwoord hadden. Maar misschien moeten we eerst verduidelijken wat de stoïcijnen onder ‘geluk’ verstonden.

Klopt, want zij maakten een onderscheid tussen wat wij vandaag ‘geluk’ zouden noemen, en wat zij omschreven als ‘eudaimonia’. Dat is het Griekse woord voor ‘een leven dat het waard is geleefd te worden’, en is niet hetzelfde als ‘gelukkig zijn’. Laat me je dat verschil illustreren met een voorbeeld. Psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat mensen met kinderen over het algemeen ongelukkiger zijn dan mensen zonder kinderen. Tenminste, als je ze van dag tot dag vraagt of ze op dat moment gelukkig zijn. Er is altijd wel iets aan de hand, weet je, ouder zijn is gewoon zwaar. Maar vraag je ze of kinderen krijgen hun leven ten goede heeft veranderd, of het meer zin en betekenis of een doel heeft geschonken aan hun leven, dan is het antwoord doorgaans een volmondig ja. Daar heb je het verschil tussen gelukkig zijn en eudaimonia. Eudaimonia is het idee dat je iets waardevols wil doen met je leven, als project. En daar gaat het om in de Stoa.

En wat is volgens de stoïcijnen de sleutel tot zo’n vervullend, zinvol en ‘goed’ leven?

Twee dingen. Eerst en vooral moet je beseffen dat je over sommige dingen wel controle hebt, en over andere niet. Dat moet je altijd voor ogen houden, zodat je je inspanningen en energie kan focussen op hetgeen je onder controle hebt en je geen moeite verspilt aan dingen die je toch niet kan veranderen, die buiten je controle liggen. Dit is de dichotomie van de controle, en zo gauw je dat beseft werk je al vanzelf aan een meer sereen leven, omdat je het besef internaliseert dat je sommige dingen gewoonweg moet laten gaan. Dit is nauw verwant aan het boeddhistische idee van onthechting. De tweede sleutel tot een vervullend leven is om altijd je morele integriteit in acht te houden. Simpel gezegd: probeer een goed mens te zijn. Het fundamentele aan de mens is volgens de stoïcijnen dat we sociale dieren zijn. We zijn afhankelijk van anderen voor ons overleven, en we voelen ons goed, we voelen dat we een doel hebben in het leven, als we iets voor anderen doen. Dat kunnen onze familieleden zijn, vrienden, de samenleving … kortom: als we betrokken zijn in sociale projecten. Maar dan moet je dat wel op een morele, integere manier doen. Dat kan alleen maar als je werkt aan een goed karakter.

OVER DEUGDEN

Klinkt eenvoudig, lijkt moeilijk. Hoe doe je dat precies?

De stoïcijnen benadrukten het beoefenen van deugden. Er zijn vier kardinale deugden in het stoïcisme. De eerste is praktische wijsheid: de kunst om beslissingen te nemen over complexe situaties, het uitzoeken van de beste manier om met de dingen om te gaan. De tweede is moed. Dat werd niet in de eerste plaats als fysieke dapperheid begrepen, maar als morele moed. Opkomen voor wat goed is. Dan heb je gerechtigheid, die gaat over hoe je omgaat met andere mensen. Dat je hen behandelt als mensen, en ze ziet als waardevol op zichzelf, juist omdat het mensen zijn. De vierde is matigheid, het idee dat je je niet overgeeft aan excessen, maar matigheid betracht in de dingen die je doet. Als je dus de dichotomie van de controle steeds voor ogen houdt en de vier deugden beoefent, dan krijg je een eudaimonisch bestaan. Een leven dat het waard is geleefd te worden. Praktisch uitgedrukt: je moet proberen om je doelen te internaliseren. Wat we in het leven willen doen, moet gericht zijn op onze beslissingen en oordelen. Dat is immers het enige dat onder je controle valt. De externe uitkomsten van je inspanningen niet. Dus: je doet je best en neemt het leven zoals het komt. Soms zit het mee, soms zit het tegen. Als het tegenzit, moet je niet boos zijn of je uit je evenwicht laten brengen. En als het wel meezit, ben je dankbaar. Oefeningen in dankbaarheid zijn een essentieel onderdeel van een stoïcijnse levenshouding. Je moet voortdurend aandacht schenken aan de goede dingen en mensen in je leven, en er dankbaar voor zijn.

Kunt u met een voorbeeld verduidelijken wat u precies bedoelt met ‘je doelen internaliseren’?

Stel dat ik in aanmerking kom voor een promotie op mijn werk. Natuurlijk vind ik het fijn om gepromoveerd te worden, ik besluit dus om ervoor te gaan. Er zijn echter twee kanten aan een promotie. Enerzijds is er dat wat ik kan doen om me voor te bereiden. Ik kan de best mogelijke CV samenstellen en ik kan keihard werken om die promotie te verdienen. Dat valt onder mijn controle, dat heb ik in de hand. Of ik die promotie effectief ook krijg, ligt buiten mijn controle. Er kan sterke concurrentie zijn, misschien vindt mijn baas me vervelend ... al die dingen heb ik niet in de hand. Dus wat ik eigenlijk zou moeten willen, wat mijn verlangen zou moeten zijn, is niet die promotie zelf. Mijn doel internaliseren wil zeggen dat het enige wat ik zou moeten verlangen, is om zo goed mogelijk mijn best te doen om die promotie te kunnen krijgen. Hetzelfde geldt voor mijn persoonlijke relaties. Stel dat ik zeg ‘ik wil dat mijn partner van me houdt.’ Voor een stoïcijn is dat geen goede manier van denken. Het enige wat je in de hand hebt, en dus het enige dat je zou mogen wensen, is om te proberen een zo goed mogelijke, liefdevolle partner te zijn voor die andere persoon. Hoe die persoon daarop reageert, is aan hem of haar, niet aan jou.

Even terug naar de deugden. Voor veel moderne mensen is de term deugd beladen omdat we ze moeilijk los kunnen zien van haar christelijke erfenis.

Het beeld dat wij vandaag van deugden hebben is inderdaad de christelijke variant, en dat is helemaal niet wat de stoïcijnen eronder verstonden. Het christendom erkent zeven deugden, waarvan er vier net hetzelfde zijn als die van de stoïcijnen: praktische wijsheid, moed, gerechtigheid en matigheid. De andere drie centrale deugden van de christenen zijn hoop, geloof en naastenliefde. Die zouden de stoïcijnen verwerpen. Zij bekeken deugd als een karaktertrek. Dat zijn hoop, geloof en naastenliefde niet, dat gaat over iets heel anders.

Een bijkomend probleem als het over deugden gaat, is dat onze opvatting over wat deugdzaam is zo veranderlijk is in plaats en tijd. Wat men vijftig jaar geleden als deugdzaam zag, is heel anders als nu. Denk aan homoseksualiteit, echtscheiding of de plaats van de vrouw in de samenleving.

Daar is veel onderzoek naar gedaan. Natuurlijk is er veel culturele variatie, maar raad eens welke zes deugden universeel blijken te zijn? De vier stoïcijnse deugden moed, matigheid, gerechtigheid en praktische wijsheid. De andere twee zijn ook interessant. Een ervan is transcendentie: het gevoel dat er iets groter, belangrijker bestaat dan jijzelf als persoon. Ten slotte is er wat je ‘respect voor humaniteit’ zou kunnen noemen, het idee dat mensen belangrijk zijn. Die twee deugden kenden de stoïcijnen ook, alleen noemden ze die zo niet. Het stoïcijnse idee van transcendentie komt voort uit het besef dat we allemaal stukjes en beetjes van de kosmos zijn, en dat we verbonden zijn met alles door een web van oorzaak en gevolg. Hun respect voor humaniteit, hun humanisme, komt voort uit het door en door kosmopolitische karakter van hun filosofie. We moeten geven om elke mens op aarde, want we zijn allemaal broers en zussen.

EEN KOSMOPOLITISCH, RATIONEEL HUMANISME

Niet alleen is het stoïcisme kosmopolitisch en humanistisch, het steunt ook op een wereldbeeld dat door en door rationeel en naturalistisch is. In dat opzicht is het een aantrekkelijke levensfilosofie voor vrijzinnig humanisten.

De stoïcijnen waren er inderdaad van overtuigd dat alles wat er in het universum is, uit materie bestaat. Ze spraken wel over God, maar daarmee bedoelden ze geen persoonlijke god, die zich ergens in of buiten het universum bevindt. Voor hen is God het universum, en het universum bestaat uit materie. Heel dat universum wordt gereguleerd door een web van oorzaak en gevolg. Er is geen magie, dingen gebeuren altijd vanwege de dingen die daarvóór gebeurden. De stoïcijnse metafysica kun je dus probleemloos verenigen met een modern, wetenschappelijk wereldbeeld. Dus je hebt gelijk als je zegt dat het stoïcisme daarom erg toegankelijk is voor atheïsten en agnosten, maar wat ik er leuk aan vind, is dat je dat niet hoeft te zijn om het stoïcisme te beoefenen. Je kunt hun metafysica op verschillende manieren interpreteren, en ook als religieus persoon kan je er veel aan hebben.

Hoe dan ook dachten zij dat rationeel zijn en een juist begrip hebben van hoe de wereld in elkaar zit, helpt – of zelfs noodzakelijk is – om een goed leven te leiden.

Absoluut. Als je wil uitzoeken hoe jij je leven moet leiden – en daarop is heel het stoïcisme gericht – moet je eerst en vooral weten hoe de wereld in elkaar zit. Als je daarover misvattingen hebt, ga je verkeerde beslissingen nemen in je leven. Daarnaast moet je begrijpen hoe de menselijke geest werkt. Niet alleen door het formele redeneren te bestuderen, maar ook alle manieren waarop de menselijke geest de mist ingaat en slecht functioneert. Dus: als je goed begrijpt hoe de wereld werkt en als je goed kunt redeneren, dan kan je erachter komen hoe je het best je leven leidt. Rationeel zijn staat dus als het ware in functie van je ethisch handelen, want daar is het de stoïcijnen uiteindelijk om te doen. Het gaat erom hoe je je gedraagt in de wereld. Het legt de focus op jouw karakter – vandaar het beoefenen van de deugden – en op jouw vermogen om beslissingen te nemen.

Dat heeft een aantal verfrissende consequenties. Zo waren de stoïcijnen het volmondig eens met Socrates’ mening dat niemand kwaad doet met opzet, enkel uit een ‘gebrek aan wijsheid’. Mensen doen slechte dingen omdat ze niet beter weten. Niemand staat ’s morgens op en zegt tegen zichzelf ‘wat voor slechte dingen ga ik vandaag weer allemaal doen?’ Ook Hitler niet, hij was er, denk ik, van overtuigd dat hij oprecht deed wat het beste was voor het Duitse volk. Het heeft dus geen zin mensen te gaan veroordelen en verwensen, want dat leidt tot haat. Haat leidt tot angst en angst zorgt ervoor dat je beslissingen neemt waarvan je later spijt krijgt. Het stoïcisme is dus een erg vergevingsgezinde filosofie. Ook jegens jezelf. Je verleden heb je immers niet langer onder controle. Wat gebeurd is, is gebeurd. Je kunt er wel lessen uit trekken zodat je niet meer dezelfde vergissing begaat, maar jezelf voor het hoofd slaan en je verliezen in spijt heeft geen enkele zin.

ONBETEKENENDE DINGEN DIE ONZE VOORKEUR VERDIENEN

Hoewel het stoïcisme een veeleisende filosofie is, is het geen onhaalbaar ideaal. Het is niet alleen vergevingsgezind ten opzichte van jezelf, uit uw boek blijkt ook dat je er niet als een onthechte asceet voor in het leven hoeft te staan.

Hoewel ze zeiden dat het belangrijkste in het leven erin bestaat om deugdzaam te handelen, wisten de stoïcijnen dat gewone mensen ook andere dingen willen. Een opleiding, een goede gezondheid, vrienden, liefde … Dat noemden zij ‘onbetekenende dingen die onze voorkeur verdienen’ (in het Engels: preferred indifferents). Ze bedoelden ermee dat bepaalde dingen wel degelijk de moeite zijn en dat we die gerust kunnen nastreven, maar dat ze op zich genomen geen beter persoon van je maken. Je kunt dus rijk of arm zijn, gezond of ziek, lelijk of knap … dat heeft allemaal geen invloed op je vermogen om deugdzaam te zijn. Jouw karakter, jouw waarde als mens, hangt niet af van dergelijke externaliteiten. Die manier van denken zorgt ervoor dat de stoïcijnse filosofie door iedereen kan beoefend worden, ongeacht hoe je ervoor staat in het leven. Maar zo’n externaliteiten maken je ook niet per se tot een slechter persoon, als je je tenminste niet compromitteert door ze na te streven. Natuurlijk, als je echt zeker wil zijn dat je het minst kwaad berokkent aan de wereld, moet je asceet worden. De filosofische neefjes van de stoïcijnen, de Cynici, zwoeren om die reden elk bezit af. Ze trouwden niet, kregen geen kinderen, ze gingen door het leven zonder iets na te streven dat buiten henzelf lag. De stoïcijnen niet. Ze beseften dat zo’n leven voor de meeste mensen niet is weggelegd. Om een normaal, menselijk leven te leiden, moet je compromissen sluiten. Het gaat erom dat zo bewust mogelijk te doen. Om je bewust te zijn van de keuzes die je maakt als je iets eet, als je iets koopt … wetende dat er altijd betere keuzes mogelijk zijn. Het is dus geen zaak van alles-of-niets. Zoals Seneca schreef in een van zijn brieven aan zijn vriend Lucillus: ‘Ik probeer niet perfect te zijn, alleen beter dan gisteren.’

Ik krijg de indruk dat stoïcijn zijn een stuk gemakkelijker is als je van nature begiftigd bent met geduld, empathie, intelligentie, zelfcontrole en een aangeboren kalme gemoedsgesteldheid. Kan het ook werken als je die eigenschappen niet van nature bezit? U schrijft zelf in uw boek dat de stoïcijnen iets te optimistisch waren over ons vermogen om onze gedachten te controleren en in toom te houden, vooral de negatieve.

Ik ben ervan overtuigd dat het stoïcisme kan werken voor elke normaal begaafde persoon. Als er tenminste geen sprake is van psychopathologie. Dit gezegd zijnde, is het de moeite om wat dieper in te gaan op je vraag. Volgens de stoïcijnen kennen onze emoties twee fases. Eerst is er onze instinctieve reactie op iets, waarop je geen vat hebt. Moderne psychologen noemen dat de affectieve component van emoties. Dat kan je simpelweg niet controleren. De tweede fase heeft een cognitieve component, en draait om wat we met die aanvankelijke instinctieve reactie aanvangen. En daarover is wel controle mogelijk. Je moet leren afstand nemen van die eerste, initiële reactie en goed in overweging nemen of je die toelaat en of je ernaar handelt. Stel dat je ’s nachts opschrikt door een luide bonk. Je eerste reactie is om verschrikt uit bed te springen, vol van de adrenalinerush. Dan komt de tweede fase, waarin je kan besluiten om die reactie om te laten slaan in een echte angst, of om even na te denken over wat er precies aan de hand is. Dan zou je je kunnen realiseren dat het de kat was, die je vergeten bent buiten te laten. Of stel dat je me nu zegt dat je doodsbenauwd bent voor een terroristische aanslag. Dat is geen reactie op een concreet aanwezige, imminente dreiging, maar een cognitief iets. Dat kan je onderzoeken en je realiseren dat je meer kans hebt om te sterven in een verkeersongeluk. En zoiets helpt écht. Deze stoïcijnse manier van denken over en omgaan met emoties heeft een rechtstreekse invloed gehad op de moderne cognitieve gedragstherapie, waarvan de efficiëntie klinisch bewezen is. Wat je daar leert is om je gedrag niet voor vanzelfsprekend te nemen en te zeggen ‘ik ben nu eenmaal zo, niets aan te doen’. In plaats daarvan leer je om je gedrag te analyseren, erover na te denken en via een reeks oefeningen je gedrag bij te sturen. Stel dat je enorm verlegen bent. Een cognitieve gedragstherapeut zou je opdragen om een aantal oefeningen te doen die je blootstellen aan oncomfortabele situaties. Bijvoorbeeld om naar een apotheek te gaan en daar met erg luide stem te vragen om ‘een pakje condooms, in de kleinste maat alstublieft!’ Als je zoiets een paar keer gedaan hebt, besef je dat het helemaal zo erg niet is.

INTELLECTUELE HOOFMOED EN EPISTEMISCHE BESCHEIDENHEID

Dan komen we toch onvermijdelijk op het terrein van het vrije-wil-debat. Hebben we wel zoveel onder controle als we zelf denken, of als de stoïcijnen dachten? Een moderne neurowetenschapper zou kunnen zeggen: ‘jij, Massimo Pigliucci, hebt gewoon het geluk dat je de juiste neurologische bedrading hebt die je in staat stelt om bedachtzaam met je initiële emoties om te gaan en je gedrag bij te sturen. Voor iemand met een andere bedrading is dat geen optie.’

Ik zou tegen die hypothetische neurowetenschapper van jou zeggen dat hij eerst eens teruggaat naar zijn studeerkamer om zijn neurowetenschap wat beter te bestuderen. We zijn niet ‘bedraad’ voor het een of het ander, we zijn niet ‘hardwired’ in deterministische zin. Een vergelijkbaar discours is er over genen, welnu, als bioloog kan ik je met het volste vertrouwen zeggen dat onze genen helemaal niets determineren. Ze beperken slechts de mogelijke gedragsopties die we hebben. Wetenschappers die anders beweren, zoals een Sam Harris bijvoorbeeld, beweren zaken die niet ondersteund worden door de data die ze hebben. Zo’n vorm van intellectuele hoogmoed stoort me enorm. De stoïcijnen maakten zich verder ook helemaal niet druk om de vrije wil, zij hadden het over ‘agentschap’: ons vermogen om beslissingen te nemen. Voor de rest is heel dat idee van een absolute ‘vrije wil’ gewoon een raar concept. Het is uitgevonden door de christenen om het bestaan van het kwaad in de wereld mee te verklaren. De stoïcijnen dachten deterministisch, dus ze geloofden ook helmaal niet in een absolute vrije wil. Niets gebeurt ‘uit het niets’, zonder oorzaken. Sommige van die oorzaken zijn intern, andere extern, en sommige oorzaken zijn het gevolg van de interactie tussen die twee. Dat doet allemaal niets af aan ons vermogen om beslissingen te nemen. En dat beslissingsvermogen van ons kan verbeterd worden door oefening, dat is het stoïcijnse perspectief.

Die ‘intellectuele hoogmoed’ waarnaar u verwijst, zit u erg hoog. U hebt meermaals uw ongenoegen laten blijken over mensen als Sam Harris of Lawrence Krauss, die beweren dat wetenschap al onze ethische of filosofische vraagstukken zal oplossen. Sciëntisme, noemt u dat.

Klopt. Kijk, ik ben zelf wetenschapper, en ik hou enorm van wetenschap, maar voor sciëntisme zal ik blijven waarschuwen. Sciëntisme ontstaat wanneer wetenschappers de grenzen van de wetenschappelijke onderneming niet respecteren. Zo zijn er wetenschappers die grootse beweringen doen op basis van bewijsmateriaal dat die beweringen helemaal niet ondersteunt. Tegenover die wetenschappelijke hoogmoed, zou ik willen pleiten voor epistemische bescheidenheid. Het enige dat je als wetenschapper kan zeggen is ‘dit is, op dit moment, de beste kennis die over dit onderwerp beschikbaar is. Maar het kan veranderen in de toekomst en het komt met een aantal waarschuwingen.’ Een andere vorm van sciëntisme ontstaat wanneer wetenschappers zichzelf ervan overtuigen dat wetenschap zó bijzonder is, dat het ons een soort goddelijk perspectief op de dingen geeft. Dat het objectief is, en inherent uit op de waarheid. Dat is gewoonweg niet juist. Wetenschap is een menselijke activiteit, en dus per definitie gebonden aan ons menselijk perspectief. Dat kunnen we nooit overstijgen. En die beperking begrijpen en accepteren is een verstandige zet.

Dus eigenlijk neemt u in het hele debat rond wetenschap, objectieve kennis en waarheid een soort tussenpositie in. U erkent dat er grenzen zijn aan wetenschap, maar u blijft ver weg van de extremere positie die ingenomen wordt door postmoderne filosofen. Volgens hen is waarheid relatief, kennis een sociale constructie en objectiviteit een illusie. Kennis die losstaat van je persoonlijke perspectief of standpunt is onmogelijk.

Klopt, dat is onzin. Ik denk echter niet dat alle postmodernisten dat denken. Iemand als Maarten Boudry overdrijft daar sterk in, en we zullen er een hartig woordje over discussiëren op de Nacht van de Vrijdenker. De grondgedachte, de gematigde postmoderne positie, vind ik helemaal niet zo dwaas. Die positie houdt in dat men er zich van bewust is dat menselijke kennis sociaal geconstrueerd wordt. Niet in de zin dat ze arbitrair is, maar ze is het product van mensenwerk. Dus is die kennis ook onderhevig aan de beperkingen van het menselijk handelen en de menselijke cognitie. Dit is een redelijke positie. De extreme postmoderne opvatting, dat ‘anything goes’ en dat er over kennis niet kan gezegd worden dat het ene beter is dan het andere, is natuurlijk onzin. Dat is geen redelijke positie. Het ironische is dat de extreme postmodernisten dezelfde fout maken - of toch het spiegelbeeld ervan - als de sciëntisten. De sciëntisten zeggen met te veel zelfvertrouwen: er is maar één waarheid, één vorm van waardevolle kennis. De postmodernisten zeggen: niets van, alles kan en ieder zijn eigen waarheid. De deugdzame positie, om het zo te zeggen, ligt in het midden. Natuurlijk is dat veel saaier, en het verkoopt minder boeken, maar het is wel redelijk. Je moet wetenschap niet ophemelen en op een piëdestal zetten waar ze niet thuishoort, maar je moet haar ook niet bij het oud vuil zetten. Daar hoort ze ook niet thuis.

Thomas Lemmens