een organisatie van

Vooruit.png
Vermeylenfonds.png
UPV ZW.png

met de steun van

LiteratuurVlaanderen_2x.png

Maarten Boudry

uit zijn boek 'Illusies voor gevorderen'

Iedereen koestert illusies. Maar hebben we ze ook nodig? Of is de gedachte dat we zonder illusies kunnen leven, de grootste illusie van allemaal? De meeste vrienden en kennissen die ik met deze vraag heb lastiggevallen, denken dat een illusieloos leven niet leefbaar is. Neem de waarheid als leidraad, zo wil de heersende opinie, maar laat je niet door haar knechten. Gun jezelf enkele prettige waanideeën. In het boek Prediker (1:18) staat te lezen: ‘Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet. En wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.’

Bestaat er zoiets als wetensnood, het leed van te veel weten? Zijn we soms beter af als we de waarheid niet kennen, of als we er een illusie voor in de plaats stellen? In À la recherche du temps perdu schreef Marcel Proust: ‘Om de werkelijkheid draaglijk te maken, zijn we allemaal genoodzaakt ons enkele kleine zottigheden (petites folies) te veroorloven.’ Grandioze waanbeelden zijn volgens Proust ook weer niet nodig. Enkele goed uitgekiende illusies volstaan om het juk van de waarheid te verlichten. In haar volle gewicht, zo meende hij, is deze voor niemand draaglijk. We moeten de waarheid geweld aandoen voor zijzelf gemeen naar ons uithaalt. Maar wat heeft de waarheid ons dan misdaan dat we haar collectief moeten ontvluchten?

Laat me beginnen met dat aspect van de werkelijkheid dat we allemaal met elkaar delen. Het universum waarin we samen leven, is obsceen groot en onbevattelijk oud, grotendeels leeg, en bijna nergens levensvatbaar. Onze planeet, in de woorden van Carl Sagan, is een ‘vage blauwe stip’ in een onmetelijk niets. Al ons lief en leed speelt zich af op een flinterdun laagje aan de buitenrand van die stip, vooralsnog beschermd door een broze dampkring. Bevind je je elders in het universum, dan ga je binnen enkele seconden dood. In ons universum is geen spoor van een hoger doel of morele orde te bekennen.

De evolutie van  het leven op onze planeet is een dronkenmansgang zonder richting, een aaneenschakeling van toevalligheden. De mens is slechts één loot aan de boom van het leven, die er evengoed niet had kunnen zijn. Al wat we denken en voelen tijdens ons leven, is niets meer dan de chemische afscheiding van de anderhalve kilo weke massa onder onze schedelpan. Na onze dood, die onafwendbaar is en definitief, vergaat dat brein en wordt ons bewustzijn voorgoed vernietigd.

Dat zijn zowat de hoofdlijnen, volgens de huidige stand van de wetenschap. Misschien wil je nog weten dat het universum zelf ook naar de knoppen gaat. Het goede nieuws is dat je er tegen die tijd al lang niet meer bent om je daar zorgen over te maken, noch een van jouw nakomelingen. Alle leven op aarde is dan al lang dood. Wanneer onze zon haar einde nadert, zal ze haar dichtstbijzijnde planeten (waaronder de onze) verzwelgen. Dat betekent het einde van de mensheid, gesteld dat deze het tot dan heeft uitgehouden natuurlijk.

Tot zover het globale plaatje: iedereen gaat dood, niemand kan hier weg, alles vergaat. Maar wat met de werkelijkheid hier en nu, in afwachting van ons einde? Boven op het slechte nieuws over de kosmos zijn er wellicht ook onaangename waarheden over onszelf: onze tekortkomingen en verkeerde levenskeuzes, onze mislukte relaties, de futiliteit van onze bezigheden, onze sombere vooruitzichten. Die kleine waarheden, hoe onbeduidend ook in het aanschijn van de kosmos, zijn misschien nog lastiger te verteren dan de grote. Dat stuk van de werkelijkheid delen we echter niet met elkaar, want het is voor iedereen verschillend. Voor sommigen is het ongetwijfeld draaglijker dan voor anderen.

Niettemin dacht Proust, en velen met hem, dat we allemaal behoefte hebben aan een stuk of wat illusies, ongeacht wie we zijn en hoe goed we het stellen. Zelfs wie het uitstekend getroffen heeft in vergelijking met zijn medemens, ontsnapt niet aan de condition humaine. De dood is de grote gelijkmaker en niemand die deze zin leest, zal hem over een eeuw herlezen. De kosmos – dat moet je hem nageven – is in elk geval eerlijk.

De vraag is of we wel wakker liggen van al die waarheden. Indien dat niet het geval is, hebben we ook geen behoefte aan illusies om ons ertegen te beschermen. In de film Stardust Memories klampt Woody Allen, die zijn eigen mistroostige zelf vertolkt, collega’s op de filmset aan over de jongste editie van het tijdschrift Time. Daarin stond dat het universum uitdijt en alle materie geleidelijk aan vergaat. ‘Ben ik nu de enige die dat gezien heeft? Het universum valt langzaam uit elkaar. Er zal niets van overschieten!’ Maar niet iedereen voelt het juk van de kosmische waarheid zoals Woody. De mensen rondom hem halen gewoon hun schouders op en willen doorgaan met hun werk, onbekommerd over het lot van het universum en de mensheid.

In de film Annie Hall krijgt de kleine Alvie – een jonge versie van Woody Allen – een depressie nadat hij precies hetzelfde nieuws over de kosmos heeft gelezen. Hij is lusteloos en wil niet meer naar school. Maar zijn moeder werpt tegen: ‘Wat heeft het universum er nu mee te maken! Jij bent hier in Brooklyn! Brooklyn is niet aan het uitdijen!’

Onze eigen dood is al een stuk dichterbij dan die van het universum, maar ook daar laat niet iedereen zich door van de wijs brengen. De filosoof Epicurus haalde zijn schouders op bij zijn sterfelijkheid: ‘Als wij er zijn, is de dood er niet, en als de dood er is, zijn wij er niet.’ Waar maken we ons zorgen over? Een besef van de eindigheid van alles en iedereen kan zelfs voor gemoedsrust zorgen en voor relativeringszin. Natuurlijk is het leven absurd en heeft de dood het laatste woord, zong Monty Python, maar bedenk: je komt van niets en je gaat terug naar niets. Wat heb je verloren? Helemaal niets! Always look on the bright side of life. Dezelfde vragen kun je stellen over onze persoonlijke tekortkomingen en mislukkingen. Deren die kleine waarheden ons zo erg dat we er beschutting voor nodig hebben? Is de illusie onze enige vluchtweg?

Laat ik even aannemen, in navolging van Proust, dat we allemaal een stuk of wat illusies nodig hebben om gelukkig te zijn, hetzij over de kosmos, hetzij over onszelf. In welke illusies moeten we ons dan verliezen? Niet de roekeloze, onbezonnen, krankzinnige illusies, dat spreekt voor zich. Die leiden nogal eens tot onzachte aanvaringen met de werkelijkheid. We willen enkel uitgekiende en doordachte illusies, heilzaam voor lichaam en geest. Het suikerlaagje rond de bittere pil. Of illusies die nuttig zijn voor de samenleving, die sociale weefsels in stand houden of saamhorigheid bevorderen. Dit boek is een zoektocht naar illusies voor gevorderden. Om welke illusies gaat het? Hoe ze te vinden? En zijn we bereid om de waarheid daarvoor op te offeren?

ILLUSIES VOOR GEVORDERDEN

Illusies zijn overtuigingen die niet stroken met de werkelijkheid. Een overtuiging is als een pijl die we afvuren op de wereld. Als we doel treffen, noemen we die overtuiging waar. Als we dicht bij de roos zitten, is ze bij benadering waar. Als we helemaal naast de schijf schieten, spreken we van een illusie. De mensen die ik daarover ondervraagd heb in mijn bescheiden steekproef, lijken ervan overtuigd dat niemand zonder illusies kan overleven (of althans gelukkig zijn). Maar konden ze die ook bij zichzelf aanwijzen? Welke pijlen hebben zij doelbewust verkeerd afgevuurd? Daarop bleven ze vaak het antwoord schuldig. Dat is niet zo verwonderlijk: wie zijn eigen illusies weet aan te wijzen, dreigt ze in één beweging door te prikken.

Misschien moeten we toch even bij de wetenschap te rade gaan, die wijsneus die ons allerlei onwelgevallige waarheden over onszelf en de kosmos door de neus boort. Ook in het bolwerk van de wetenschap, waar waarheid nochtans hoog in het vaandel wordt gedragen, vindt men pleitbezorgers van illusies, maar dan de betere illusies, de wanen voor de meerwaardezoeker.

Psychologen breken een lans voor wat ze positieve illusies noemen, milde wanen over onszelf die gezond en weldadig zijn: de illusie dat we beter en bekwamer zijn dan onze medemens, dat de toekomst ons toelacht, en dat onze kinderen – als we die hebben – zo mogelijk nog slimmer, getalenteerder en mooier zijn dan wijzelf. Stervelingen die niet voor deze illusies vatbaar zijn, zouden meer tot depressie neigen.

Een weinig opbeurende gedachte: depressieve mensen hebben een accurater beeld van zichzelf dan het deel van de bevolking dat zich als mentaal ‘gezond’ laat voorstaan. Wie is er dan ziek: degene die in eigenwaan leeft, of degene die onder de waarheid gebukt gaat? Psychiaters zouden beter voor iedereen een stuk of wat gevorderde illusies voorschrijven (zichzelf inbegrepen), als lepel suiker bij de waarheid. Hadden de Grieken dat maar geweten, toen ze ‘Ken jezelf ’ boven de tempel van Apollo beitelden!

Positieve illusies zijn overtuigingen voor persoonlijk gebruik, waarmee mensen het hoofd bieden aan de barre werkelijkheid over zichzelf en hun toekomst. Daarnaast delen we illusies met elkaar over de ruimere werkelijkheid, zoals geloof in een hiernamaals, in een godheid, of in reïncarnatie. Filosofen hebben God doodverklaard, maar volgens sommige psychologen zouden goden – om het even welke – een weelde aan voordelen met zich meebrengen: bakens van zekerheid, balsem voor de ziel, lijm voor sociale weefsels, sokkel voor de moraal.

Geloof in het hiernamaals of in reïncarnatie zou een nuttig verzinsel zijn om met onze sterfelijkheid overweg te kunnen. Sommige evolutiepsychologen menen dat godsgeloof ontstaan is als een biologische adaptatie – een nuttige illusie dus – om diverse sociale en mentale problemen te ondervangen. Van religie zouden we allemaal beter worden. Homo sapiens zonder God, dat is zoals een vogel met een gebroken vleugel: levensvatbaar misschien, maar wel hulpeloos en kwetsbaar.

PARADOX

Stel dat psychologen inderdaad, na uitvoerig onderzoek, tot de vaststelling komen – de waarheid als het ware – dat de bovenstaande illusies niet alleen veilig zijn voor gebruik, maar ook heilzaam voor lichaam en geest. We zouden ervan opknappen als we geloven dat we een onsterfelijke ziel hebben, dat alles in ons leven met een reden gebeurt, dat we onze overleden vrienden en familie zullen terugzien in het hiernamaals, dat we nooit kanker zullen krijgen, dat we geweldig getalenteerd, intelligent, grappig en ook nog bescheiden zijn. Wat een heerlijke denkbeelden! Nu we die waarheid over de voordelen van illusies hebben ontdekt, is het tijd om de waarheid opnieuw te laten verdwijnen. Stel dat we besluiten om al die weldadige illusies tot de onze te maken. Op pure wilskracht draaien we een schakelaar in ons brein om: we geloven ze!

Helaas is een overtuiging geen kledingstuk dat je uit de winkelrekken haalt om even te passen en dan terug te hangen. Een overtuiging is een bewering over de wereld die zich aan je opdringt, die als een ongenode gast bij je binnenvalt en zich moeilijk eruit laat werken. Je kunt niet zomaar met een vingerknip beslissen om te geloven in het hiernamaals, of in een lang en gelukkig leven. En als het mijn vurige overtuiging was dat zo’n geloofssprong gelukkig maakt? Nog zou me dat niet lukken.

De roman Catch-22 van Joseph Heller, een even tragisch als hilarisch relaas over de Amerikaanse vliegtuigcommandant John Yossarian tijdens de Tweede Wereldoorlog, ontleent zijn titel aan een logische paradox in het boek. Die Catch-22 staat symbool voor de absurditeit van oorlog en gaat als volgt: elke piloot was verplicht om mee te doen aan militaire operaties, tenzij hij kon aantonen dat hij mentaal gestoord was. Als je goed bij je hoofd was, wilde je natuurlijk niet vliegen en je eigen leven wagen: je moest wel gek zijn om zoiets te willen. Iemand die vrijwillig wilde vliegen, was dus gek, en hoefde precies daarom niet te vliegen. Iemand die niet wilde vliegen, gaf daarentegen blijk van mentale gezondheid, en móést daarom vliegen. ‘Als hij vloog, was hij gek en hoefde hij niet te vliegen; maar als hij niet wilde, was hij gezond en moest hij.’

De vrijwillige keuze voor heilzame illusies botst ook tegen zo’n Catch-22: je kunt enkel weten welke illusies nuttig zijn als je de voor­ en nadelen ervan hebt onderzocht. Maar dan kun je ze niet langer oprecht geloven, en kun je er dus ook de voordelen niet van proeven. Wie oprecht in een illusie leeft, heeft dan weer geen boodschap aan de vraag of zijn overtuiging heilzaam is voor zijn of haar gezondheid. Overtuigingen nemen we nu eenmaal aan omdat we ze oprecht voor waar houden, niet omdat we denken dat ze nuttig zijn of troost bieden, of goed zijn voor onze bloeddruk. Een illusie maakt enkel gelukkig als je niet weet dat je erin opgesloten zit. Maar in dat laatste geval kun je niet langer weten of zij nuttig is, dan wel gevaarlijk. En zodra je je daarvan hebt vergewist, leef je niet langer in een illusie.

PATERNALISME

Er is een andere uitweg uit de Catch-22. We kunnen onszelf niet zomaar nuttige illusies aanpraten, maar wel anderen. God is dood en de wereld gaat naar de filistijnen, maar kunnen we niet op zijn minst de schijn hoog houden voor wie het nieuws nog niet heeft opgevangen? Moet ik, Maarten Boudry, hier nodig boeken over schrijven? Wat als wij in andermans plaats uitmaken welke illusies heilzaam voor hem zijn, en welke hij beter uit zijn hoofd kan zetten?

Of wat als een ander – onze psychotherapeut bijvoorbeeld – voor onze eigen bestwil uitmaakt welke petites folies heilzaam zijn voor ons gestel, om ze ons vervolgens op de mouw te spelden? De ene mens kan in zalige onwetendheid vertoeven, terwijl de andere een oogje in het zeil houdt. De ene slikt een placebopil, de andere schrijft ze voor met mooie praatjes.

De ene ontdekt dat God dood is, maar besluit dat nieuws binnenskamers te houden, uit angst voor wat ons te wachten staat in een samenleving zonder God. Denk aan het argument van Ivan in Dostojevski’s De gebroeders Karamazov: als God niet bestaat, dan is alles toegelaten. Zonder God kan elkeen de vrije loop geven aan zijn driften en verlangens, zonder de angst om bestraft te worden. Houd de dood van God dus stil, als je toevallig op zijn lijk stuit. Zorg dat het niet uitlekt. Als God niet bestond, zo schreef Voltaire, dan zouden we hem moeten uitvinden.

Wie vertelde nooit eens een leugentje om bestwil, met de beste bedoelingen voor de bedrogene? Wie verhulde nooit eens een ongemakkelijke waarheid, om niet te kwetsen? Als we dan toch illusies in leven willen houden, zie ik geen reden om het bij God te laten. We kunnen nog meer wezens van een wisse dood redden.

Neem nu engelen en heiligen. Misschien maken ook die ons gelukkig? Laat ons wel wezen: met God alleen blijft het nog altijd behoorlijk eenzaam in de kosmos. Bovendien is het twijfelachtig of de God van de theologen in al onze psychische behoeften voorziet. Probeer maar eens een persoonlijke relatie aan te knopen met een onbevattelijk en transcendent opperwezen, dat zich ergens of nergens buiten ruimte en tijd ophoudt. Bewaarengelen of patroonheiligen kunnen voor intimiteit zorgen. Die kunnen we dus maar beter ook reanimeren. En wie zegt dat geesten, demonen en djinns zich niet verdienstelijk kunnen maken? Misschien houden ze mensen wel in het gelid? Bovendien kunnen ze inspringen als verklaring wanneer het noodlot toeslaat. Bijgelovige mensen geloven nog liever in kwaad opzet dan in stom toeval.

Buitenaardse wezens, alternatieve geneeskunde, psychoanalyse, complottheorieën, Bigfoot, het monster van Loch Ness – voor zowat elk van de illusies die Johan Braeckman en ik hebben doorgelicht in De ongelovige Thomas heeft een punt, valt wel een of ander mentaal of sociaal voordeel te bedenken.

Denk aan de weldaad van het placebo­effect (alternatieve geneeswijzen), het gevoel van orde in chaos (bijgeloof), de bevrediging van onze hunker naar verklaringen (complottheorieën), of gewoon het plezier om in de wouden van Californië op een aap van drie meter lang te jagen (geloof in Bigfoot). Waarom zouden we onzin eigenlijk bestrijden? Pleegden Johan en ik een roekeloze daad, door zoveel illusies achtereenvolgens door te prikken, geheel onverschillig voor hun respectieve baten? Zijn wij recidiverende pretbedervers?

EPISTEMISCHE ONSCHULD

In mei vorig jaar vroeg de Australische psycholoog Ryan McKay of ik geen zin had om samen met hem een voordracht te geven op een workshop in Birmingham over menselijke irrationaliteit. We hadden het idee opgevat om een tribunaal op te zetten voor de menselijke Zotheid. Ryan nam de rol van de verdediging op zich, die de onschuld van zijn cliënt (Homo sapiens) zou bepleiten.

Natuurlijk koestert de mens illusies, zo betoogde hij, maar dat kun je hem niet kwalijk nemen. Illusies zijn onschuldig en bieden talloze voordelen. Zelf kroop ik in de rol van openbare aanklager. De beklaagde, zo betoogde ik, is wel degelijk schuldig aan zijn eigen dwaasheid. Illusies zijn gevaarlijk en moeten bestreden worden. Bovendien was het betoog van mijn confrater incoherent, omwille van de paradox die ik hierboven schetste: de beklaagde kon niet eens het betoog van zijn eigen advocaat over illusies tot zich laten doordringen, zonder zijn eigen illusies te doorbreken. Wat is dat voor een advocaat die zijn oratie moet verzwijgen voor de cliënt die hijzelf verdedigt?

Na dat tribunaal in Birmingham begonnen enkele ideeën in mijn hoofd te gisten. Kan de waarheid zo hard kwetsen dat we haar liever niet onder ogen zien? Zijn sommige illusies heilzaam, nuttig, of toch minstens onschuldig? In principe zou een openbare aanklager de discussie kunnen kortsluiten met een citaat van George Bernard Shaw: ‘Het feit dat een gelovige gelukkiger is dan een scepticus doet niet meer ter zake dan het feit dat een dronken man gelukkiger is dan een nuchtere.’ Voor deze boutade kan ik wel enige sympathie opbrengen.

Toch wil ik de argumenten ten voordele van illusies niet zomaar wegwuiven. Ik zal trachten om het pleidooi voor gevorderde illusies zo goed mogelijk te verwoorden. De mogelijkheid dat sommige waarheden zo veel schade aanrichten dat ze beter verborgen blijven, moeten we serieus nemen. Dit boek is de uitkomst van die zoektocht.

WAARHEID BEVRIJDT

Uiteindelijk besluit ik dat alle argumenten ter verdediging van illusies, stuiten op praktische, conceptuele en morele bezwaren. Een overtuiging is een hefboom om te handelen, omdat we dingen doen in functie van de dingen die we geloven. Een foute overtuiging kan tot schadelijk gedrag leiden. Illusies vertakken zich in ons denken en leiden tot onverwachte neveneffecten, zelfs als ze onschuldig lijken en zelfs als we de beste bedoelingen hebben. Eens we oprecht zijn doordrongen van een illusie, zijn we niet langer vatbaar voor praktische overwegingen over de voor- en nadelen ervan. Dan zijn het immers geen ‘illusies’ meer in onze ogen.

Bovennatuurlijke overtuigingen, zo zal ik betogen, zijn doorgaans ontvlambaarder dan doordeweekse illusies. De hypothese dat religie, ondanks alle wantoestanden, een nuttige culturele of biologische functie vervult, verwerp ik. Er bestaan ook illusies over illusies, die op hun beurt gevaarlijk zijn. Sommige mensen vinden het vandaag erg moeilijk om te bevatten dat anderen door bizarre illusies bevangen zijn. Met name religie is volgens hen onschuldig en goedaardig: niemand gelooft écht in al die waanzinnige dingen (denk: 72 maagden in een eeuwig lusthof). Die opvatting is zelf een gevaarlijke illusie die tot volkomen verkeerde inschattingen leidt van uitdagingen waarmee we in onze wereld vandaag kampen.

Ten slotte keer ik terug op de centrale thema’s die ik hier naar voren heb gebracht: de groei aan wetenschappelijke kennis brengt steeds meer illusies in de verdrukking. De bemoeizucht van wetenschap wekt wrevel en ergernis, of gewoon weemoed over het verlies van onze onschuld. Toch moeten we niet rouwen om het verlies van onze illusies: de waarheid bevrijdt.

Maarten Boudry