een organisatie van

Vooruit.png
Vermeylenfonds.png
UPV ZW.png

met de steun van

LiteratuurVlaanderen_2x.png

Coen Simon

"Wij zijn zingevende beesten"

De Nederlandse filosoof-publicist Coen Simon bekleedt al enige tijd een prominente plaats in het pantheon van de Nederlandse publieksfilosofie. Hij schreef een tiental filosofische boeken voor een breed publiek, in zijn typische stijl: ze zijn goed geschreven, prikkelend en zetten aan tot nadenken. Simon komt op de Nacht van de Vrijdenker uitleg geven over zijn recente boek Filosoferen is makkelijker dan je denkt; leren denken zonder dogma’s. Hierin plaatst hij vraagtekens bij een aantal hedendaagse dogma's en clichés, en laat zien hoe we buiten die kaders kunnen denken. Ook doorprikt hij het onnadenkende gekakel van politici in het parlement, van experts in talkshows, van mensen op straat ... kortom, de ‘waan van de dag’. Maar voor u denkt: ‘weer zo’n filosofisch zelfhulpboekje voor de blanke middenklasse om haar eigen neuroses te bezweren’, wacht even. Onder de oppervlakte schuilt er een consistent uitgedachte analyse van de Verlichting en haar nasleep, secularisering. Over zingeving in een seculiere wereld, over wat wetenschap is en welke rol zij daarin (niet) kan vervullen.

Wat verstaat u eigenlijk onder dogma’s? U trekt in uw boek van leer tegen ‘hedendaagse dogma’s’, denkclichés, vastgeroeste opvattingen ... maar u lijkt die allemaal op één hoop te gooien.

We zijn dogma’s gaan vereenzelvigen met de kerkelijke leerstellingen, maar in het Grieks betekent dogma gewoon ‘mening’. Tegenwoordig denken we aan ‘iets stellig geloven en daaraan vasthouden’. Ik reageer tegen een aantal hardnekkige aannames van onze tijd, die je inderdaad dogmatisch kunt noemen. Maar tegelijk laat ik zien dat we niet zonder dogma’s – in de klassieke betekenis van het woord – kunnen. Ons denken verloopt altijd noodzakelijkerwijs via voorstellingen van de wereld, aannames, vooronderstellingen, ficties, dogma’s. Ik gebruik de termen inderdaad door elkaar.


Wat doe je, als je nadenkt over de wereld of als je aan zingeving doet? Je ontwerpt een metafoor, een model, een voorstelling van de wereld en de mens, die vertrekken van vooronderstellingen. Uiteindelijk zijn dat ficties. Je kunt niet zonder, maar je mag nooit vergeten dat het ficties zijn.
Het blijven voorstellingen van de wereld, manieren van denken waarmee je de werkelijkheid vat, maar die nooit de werkelijkheid zijn of daar helemaal mee samenvallen. Zo’n voorstellingen mag je dan ook nooit verwarren met de waarheid. Die onttrekt zich altijd aan elk model, aan elke voorstelling die wij over de werkelijkheid maken. Dat lijken we gaandeweg te zijn vergeten. 
Verder zijn er heel wat alledaagse dogma’s en clichés die ik op de korrel neem. Dat lijken gewoon dingen ‘van de straat’, maar komen meestal voort uit het napraten van gepopulariseerd wetenschappelijk onderzoek.

GROEIPIJNEN DOOR SECULARISERING

U laat in uw boek zien hoe veel van die ‘alledaagse dogma’s’ voor heel wat ongemak zorgen. Helder denken kan helpen om alles in het juiste perspectief te zien, en zo dat ongemak te ontzenuwen. Ziet u filosofie als therapie?

Ik zou het zo niet uitdrukken, therapie is er voor als je ziek bent. Ik zou ons niet allemaal ziek noemen. Onze cultuur heeft wel last van een aantal groeipijnen die te maken hebben met secularisering. Nietzsche zei het al: als we God afschaffen, gaan we het nog moeilijk krijgen.


Wij zijn namelijk zingevende beesten, we kunnen niet anders. Vroeger was die zingeving vanzelfsprekend. Als een cultuur een beetje lukt, hoef je dat niet voortdurend zelf te doen. Toen kwam de Verlichting, die ons bevrijdde van de dogma’s van de Kerk. Dat heeft een seculariseringsproces in gang gezet. Na tweehonderd jaar zijn we in die mate geseculariseerd en geïndividualiseerd, dat we steeds minder of helemaal geen houvast meer hebben aan een vaste vorm, aan een collectief, aan geloof.


Daardoor worden we nu meer dan vroeger geconfronteerd met het feit dat we zingevende beesten zijn, en met de moeilijkheden van het zelf te moeten doen. Onze cultuur verplicht ons daartoe. Maar dat gaat gepaard met een aantal groeipijnen. Op zich niet erg, want die zijn van voorbijgaande aard. Ik vergelijk dat met de vele schijnziekten die we altijd zien opduiken als er zich een nieuwe technologie aandient.


Denk aan de treinziekte. Heel veel mensen kregen – echte – klachten toen de eerste treinen begonnen te rijden, klachten die werden toegeschreven aan de tot dan toe ongeziene snelheden. Nu moeten we erom lachen, treinen reden toen amper 38 kilometer per uur. Vijftien jaar geleden was er ook heel wat ophef over de schadelijke gevolgen van de computer: muisarm, RSI, allemaal dingen waar je nu niets meer over hoort. Als we eenmaal die nieuwe technologie hebben ingelijfd, gaat dat wel over. Vergelijk het met leren drummen: in het begin gaat alles moeizaam, krampachtig en met pijnlijke grimassen, maar na een tijdje loopt het vanzelf.


Onze tijd kan wel wat meer filosofie gebruiken. Niet als therapie, maar filosofie kan helpen met die zinvragen. Niet zozeer om er kant-en-klare antwoorden van te verwachten – filosofie is geen ersatz-religie – maar om verschillende manieren van denken te leren kennen en niet bang te zijn van fundamentele vragen.

Een van die hedendaagse dogma’s is de genotsdwang. In onze yolo-cultuur moét je alles uit het leven halen, en er vooral van genieten. Maar dat is gedoemd te mislukken, zegt u. Zo’n houding kan alleen maar frustratie opleveren. Hoezo?

Omdat die imperatief van het moeten genieten nooit de lust kan bevredigen die we ermee opwekken. Filosofisch zit dat zo: voor je genot moet je een verlangen kunnen bevredigen. Maar daar is een zeker verrassingselement, een element van vreemdheid voor nodig. Ik kan namelijk alleen maar iets verlangen als ik niet samenval met hetgeen ik verlang. Het object van mijn verlangen is altijd iets wat ik (nog) niet heb, iets wat mij vreemd is. Zo gauw je het hebt, bijvoorbeeld dat glas water waar je dorstig naar uitkeek, is het gedaan met verlangen.


Als je nu bij voorbaat uitgaat van het dogma dat je alles uit het leven moet halen en ervan moet genieten, wordt de wereld één grote genotsgrabbelton. Je gaat de ander, en de wereld, alleen nog maar bejegenen als een ‘mogelijkheid tot genot’, je identificeert alles om je heen als een genotsobject voor jou. Het gaat in die blik altijd om het eigene. Maar zo ontdoe je dingen van hun vreemdheid, en dat is nefast voor je genot. Genot heeft dat niet-eigene, het verschillende, nodig.


‘Yolo’ (‘You only live once’. Wordt gebruikt ter legitimatie van – vaak onnozele of risicovolle – handelingen, n.v.d.r.) komt voort uit secularisering, het is een antwoord op het wegvallen van een zingeving die vanzelfsprekend was. Opvallend is dat ‘yolo’ altijd uitgesproken moet worden. Ik doe iets, en ik heb geen idee of ik het goede doe, maar ik geef er een richting aan door te zeggen dat ik het doe omdat ik alles uit het leven wil halen. Maar als dat zo is, waarom zou ik het dan nog moeten zeggen? Juist om je handeling zelf zin te geven. Het – letterlijk – uitspreken van de term ‘yolo’ is een essentieel onderdeel van de yolo-cultuur. Het is geen neutrale omschrijving, maar een zingevende handeling.

U lijkt de mening te delen van de Belgische psychiater Dirk De Wachter. Volgens hem lijdt heel onze maatschappij aan burn-outsymptomen. Niet alleen wegens ons hectisch werkritme, maar vooral door de druk die we onszelf opleggen in onze vrije tijd en de dwangmatige leukigheid van de sociale media. We mogen niets missen en alles moet geweldig leuk zijn.

Precies, helemaal mee akkoord. Mijn hoofdstuk over de energiemetafoor gaat daarover. Je moet er maar eens op letten hoe alomtegenwoordig die is. We gebruiken voortdurend zinnen als ‘ik ga me eens lekker opladen’, want ‘ik heb geen energie meer’, ‘ik ben uitgeblust’. Vakantie of andere mensen ‘geven me energie’. Maar die metafoor bepaalt ook met welke blik je naar de wereld kijkt, waardoor we langzamerhand heel het leven zijn gaan zien in termen van iets ‘dat kan opraken’.


We zijn de mens als prestatiemachine gaan zien, een reservoir aan beschikbare energie. Een reservoir dat kan leeglopen. Stilaan zijn we dan ook verworden tot de ‘homo exhaustus’, de uitgebluste mens. Dat is een van de grootste problemen van deze tijd. Tegelijkertijd leert dat ons iets belangrijks over zingeving: je construeert een metafoor voor het leven, en vervolgens verandert het leven in die metafoor. Dat is het schitterende, maar tegelijk ook het meest verraderlijke aan woorden.

Omdat onze manier van praten over de dingen mee bepaalt hoe we iets ervaren?

Zeker. Neem nu het devies ‘meten is weten’, ook zo’n hedendaags dogma. Het idee dat je alles kan kwantificeren en opmeten, ook iets als geluk bijvoorbeeld, kan niet anders dan onze ervaring daarvan veranderen. Ik heb verschillende van die geluksonderzoeken bekeken. Daarin gaat het niet over de vraag hoe je een gelukkig mens kunt worden, maar ze proberen geluk te meten. Ze stellen eerst vast wat we onder geluk verstaan, en vervolgens gaan ze mensen bevragen. Over van alles en nog wat. Maar de vraag ‘bent u gelukkig?’, die wordt niet gesteld want ‘geluk’ is immers een ‘verwarrende term’ (lacht).


De antwoorden worden dan ingedeeld in allerhande categorieën, en zo construeren ze verschillende modellen, en correctiemodellen, en ga zo maar door. Vervolgens gaan ze publiek maken hoe gelukkig Nederland is, en Denemarken, en Duitsland ... op een schaal van tien. Op dat moment bepaalt zo’n onderzoek en de berichtgeving erover voor een groot deel hoe we naar onszelf kijken. Want je kunt zo’n resultaten pas begrijpen als je die kwantificerende manier van denken op jezelf toepast. Een land kan niet gelukkig zijn, want dat is een collectief. Een uitspraak als ‘Nederland is gelukkiger dan andere landen’, is dus pas zinvol als ik het op mezelf toepas. Op dat moment ben ik mijn gemoed al aan het vergelijken met dat van anderen.


Wat me écht stoort is hoe die onderzoeken vervolgens in de media komen. Neurowetenschappelijke inzichten bijvoorbeeld, samen met statistiek een van dé waarheidskoeien van onze tijd, zullen ons onthullen ‘hoe het echt zit’. Onderzoeksresultaten verschijnen in dagbladen in de vorm van populair-wetenschappelijke artikels, waar ze als feiten of als onbetwijfelbare waarheden worden gebracht, zonder quotes of referenties.


Er is ergens een onderzoek dat iets uitwijst, en dat wordt dan gepresenteerd als dé waarheid. ‘Borstvoeding tot zes maanden is nodig’, lees je dan. Terwijl er aan onderzoek altijd voor en tegens kleven en er net zo goed volgende week een ander onderzoek verschijnt dat heel andere dingen blootlegt.

PARADOX VAN DE VERLICHTING

Ook dat is een rode draad in uw boek. Ons beeld van de wetenschap is zelf niet erg Verlicht.

Inderdaad, dat heeft te maken met wat ik de paradox van de Verlichting noem. De Duitse filosoof Immanuel Kant rekende in zijn beroemd geworden pamflet Wat heet Verlichting? af met het dogmatische denken. Hij roept de mens op om zélf te denken, los van de kerkelijke leerstellingen die we sindsdien als echte hinderpalen zijn gaan zien.


Op dat moment ontstaat er iets nieuws. Door die zelfstandigheid in het denken neemt de wetenschap een hoge vlucht, en in haar nasleep onze technologische mogelijkheden om de wereld te beheersen. We hebben dus heel wat aan de Verlichting te danken. Maar wetenschap is een manier van denken die ons eigenlijk alleen maar zekerheid belooft. We zijn dat uit het oog verloren. We verwarren die zekerheid met waarheid.


Voor wetenschap geldt immers hetzelfde als wat ik zonet over zingeving zei, over ons nadenken over mens en wereld. Wetenschappen construeren een bepaald model van de werkelijkheid, en maken daarbij gebruik van theoretische ficties, maar de concrete werkelijkheid is oneindig veel complexer en onttrekt zich altijd aan die wetenschappelijke modellen.


Wetenschappelijk denken is een heel succesvolle manier van denken, die ons heel wat voorlopige zekerheden oplevert. Maar als je wetenschappelijke resultaten voor waarheid gaat houden, in de oorspronkelijke zin van het woord, namelijk ‘dat waaraan niet getwijfeld kan worden’, en die bovendien alleen maar kan begrepen worden door deskundigen, heb je een probleem. Dan zit je met volstrekt dezelfde situatie als in een niet-geseculariseerde tijd: je hebt een beperkte groep van mensen die de Waarheid, of het Woord van God snappen, en dat aan de rest komen uitleggen.

Een ander gevolg van de paradox van de Verlichting is dat we blijkbaar een stuk onmondiger zijn dan we zelf denken.

Dat is inderdaad het paradoxale resultaat van de Verlichting: we werden opgeroepen tot mondigheid en tot zelfstandig denken, maar dat heeft geleid tot een situatie waarin we niet meer zelf onze mening vormen. Ons geloof in wetenschap is zo groot, en onze cultuur is dermate verwetenschappelijkt, dat we een leek zijn geworden in ons eigen leven. Allerhande deskundigen moeten ons dat dan komen uitleggen.


Op het moment dat ik je zeg wat liefde écht is, in neurowetenschappelijke zin, word jij een leek in de liefde. Je alledaagse ervaring wordt irrelevant, want ik als deskundige weet hoe het echt zit met de liefde. En omdat we ons op zoveel vlakken leek voelen, werkt dat een intellectuele luiheid in de hand. We gaan niet meer zelf over iets nadenken, want we voelen ons onbekwaam. Toch worden we geacht een mening te hebben, dus gaan we maar liken en sharen wat allerlei experts over iets te zeggen hebben, in plaats van er zelfstandig over na te denken.

Maar als ik een verantwoorde mening wil vormen over een thema, dan moet ik toch te raden gaan bij wat er over dat thema aan wetenschappelijke kennis beschikbaar is?

Jazeker, je kan ook niet zonder. Maar je mag nooit vergeten dat het zekerheden zijn, en geen waarheden.

WAARHEID EN WERKELIJKHEID

Wat is waarheid dan, volgens u? En als wetenschap geen waarheden oplevert, hoe komt dan dat ‘het werkt’?

Onze menselijke conditie houdt in dat we niet in staat zijn om een blik op het geheel te krijgen, een ‘objectieve blik’, zeg maar. We zitten altijd vast in ons standpunt, in ons subjectieve perspectief. Maar tegelijkertijd zijn we wél in staat om te denken in de ficties van het geheel. We kunnen dan ook de vraag naar het bestaan stellen. Dat is dé filosofische vraag, ‘waarom is er iets en niet veeleer niets?’, die we nooit volledig kunnen beantwoorden. De ultieme waarheid onttrekt zich steeds aan ons, juist omdat we ons subjectieve perspectief nooit kunnen ontstijgen. We moeten er wel van uitgaan dat de waarheid bestaat, maar dat die nooit volledig gekend kan worden.


Anderzijds kunnen we binnen dat subjectieve kader, met behulp van onze ficties, voorstellingen en dogma’s, wel komen tot iets dat ‘werkt’. Kijk naar Newtons fysica. Je weet dat die gebruikmaakt van theoretische concepten als absolute ruimte en tijd, waarvan we nu weten dat ze niet ‘waar’ zijn. Maar als je raketten ziet gelanceerd worden die satellieten in een baan om de aarde brengen, dan zeg je: ‘dat werkt’.


Wat Newton beschrijft, is dus wel degelijk ‘werkelijk’. In die zin zijn waarheid en werkelijkheid verschillende begrippen. Maar je moet wel accepteren dat de aannames die je over de werkelijkheid maakt, na een bepaalde tijd heel anders kunnen zijn. Ik zou dat dus niet ‘waarheid’ noemen.

Denkt u dan dat wetenschappers dat allemaal zelf niet beseffen?

Ik richt mijn pijlen vooral op de manier waarop wetenschap gepopulariseerd wordt, daar maak ik me erg veel zorgen over. Hoe men alles op een compleet verkeerde manier voorstelt. Daar zouden wetenschappers en wetenschapsfilosofen meer tegen moeten reageren.

Dat is toch wel een onvermijdelijk dilemma voor de wetenschapscommunicatie: ofwel geef je een versimpeld beeld, met het gevaar er een karikatuur van te maken. Ofwel een heel genuanceerd en complex beeld waarbij je je tegenstanders – charlatans, verspreiders van onzin en complottheorieën – munitie aanreikt. Je ziet een vergelijkbaar vertoog als het uwe trouwens ook vaak terugkomen bij mensen die het geloof of het bovennatuurlijke terug willen binnensmokkelen. Kijk maar eens op de website van The Templeton Foundation, en wat voor artikels bij hen in de prijzen vallen.

Ik zit daar niet mee in. Ik vind de manier waarop bijvoorbeeld statistiek wordt gebruikt in populair-wetenschappelijke artikels, veel gevaarlijker dan pseudowetenschap. Kijk, het zou mooi zijn om alle charlatans uit te sluiten, en als het gaat om het ontmaskeren van lui die ter kwader trouw geld uit onze zakken willen kloppen sta ik ook op de eerste rij.


Ik erger me wél aan die hetze die er tegen pseudowetenschap is. Ik zie dat er heel wat geld voor onderzoek gaat naar kritiek op of het uitsluiten van pseudowetenschap. Dat is op zich niet erg, maar dat zou kritisch moeten gebeuren. Wees dan ook kritisch tegenover je eigen praktijk. Wees dan ook kritisch tegenover de claims die er vanuit de statistiek en de neurowetenschappen worden gemaakt. De invloed daarvan is veel ingrijpender, op individueel én cultureel vlak.


Neem nu ons  geluksonderzoek van daarjuist. Dat is heel bepalend voor hoe we gaan leven, daar worden beleidskeuzes op gebaseerd: waar we geld in gaan investeren, hoe we ons onderwijs, onze zorg en ons jeugdbeleid gaan inrichten ... Dat hele systeem wordt niet in vraag gesteld. Er wordt over een hele hoop aannames heen gestapt, bijvoorbeeld dat we geluk kunnen en moeten meten, maar daar wordt aan voorbijgegaan. Ook door wetenschapsfilosofen. Dat is veel zorgwekkender en urgenter dan boeken en artikels te schrijven waarin je bewijst dat het monster van Loch Ness niet bestaat, zoals die Maarten Boudry van bij jullie.

Loch Ness is wel een heel onschuldig voorbeeld. Als je, in een systeem dat heel erg onder druk staat, moet bepalen of er geld gaat naar de terugbetaling van homeopathie, psychoanalytische zielenknijpers of babykrakende osteopaten, is dat al veel minder irrelevant.

Voor geen enkele medische behandeling is er een garantie dat ze goed uitpakt. Dat is vaak trial and error. Beslissen wat we gaan terugbetalen en wat niet, is een maatschappelijke, en dus politieke beslissing. Politiek in de eigenlijke betekenis van het woord: dat wat we samen doen. Ook wetenschap behoort tot het samen denken, in de polis. Politiek is geen probleemoplossingsmachine.


Waar is het parlement eigenlijk voor bedoeld? Om te laten zien welke verschillende machten, belangen, wensen, en zingevingen er zijn. Dat wordt zichtbaar gemaakt door erover te praten, net daarin zit het politieke proces. Als je over iets praat, weet iedereen perfect wat de wensen waren, hoeveel iemand heeft moeten toegeven, hoe pijnlijk een beslissing voor de ene of de andere was. Als je alles doodslaat met het zinnetje ‘wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat ...’, zoals nu om de haverklap in ons parlement gebeurt, dan ga je voorbij aan het belang van er samen over te praten.


Je zult het uiteindelijk samen eens moet worden, en dat zonder laatste instantie om het ultieme oordeel uit te spreken. Dat is net de essentie van secularisering: er is geen laatste, ultieme instantie. Ook de wetenschap kan die rol niet overnemen.

Thomas Lemmens